Over Filosoof

Filosoof van Pannekoekstad wat mag dat wel beduiden? Het is natuurlijk de eerste vraag die bij jullie opkomt en in het kort zou ik daar alvast het volgende over willen zeggen, waarbij ik me meteen moet verontschuldigen, want waarschijnlijk ben ik in dit eerste verhaal nog niet helemaal te volgen.

In het zuiden van Drenthe, een van de noordelijke gewesten van de Republiek en het Koninkrijk, bevond zich een streek die ik wel de Colonie pleeg te noemen. Het is een gebied dat officieel niet onder die naam gekend is, maar wel een werkelijk gebied en tot ongeveer 1860 viel mijn Colonie samen met het kerspel en de gemeente Hoogeveen. Na  1860 ontstaan direct buiten de grenzen van deze gemeente ook een aantal nederzettingen die ik tot de Colonie reken. Al met al is het is de bewoning die in ongeveer drie en een halve eeuw ontstond langs de wateren binnen en rondom vier zeventiende- eeuwse veenderijen die je welhaast turfplantages zou kunnen noemen, uitgetekend en aangelegd in het tweede kwart van de zeventiende eeuw, het hoogtepunt van de koloniale Gouden Eeuw van de Republiek. Deze turfplantages bleven het heartland van de Colonie waar zo’n drie eeuwen lang de coloniers het veen onder hun voeten weggroeven en deze grondstof in turven wegvoeren naar het westen.

Daar waar in 1631 een kanaal het ongerepte Echtenerveen binnendrong ontstond bewoning, door de kolonisten aangeduid als de Huizen. Een tijdlang vormden deze woningen nagenoeg de hele Colonie, maar bij het naar het oosten opdringen van de waterstelsels van de turfplantages, werd de Huizen er de hoofdplaats van. Al in de beginjaren werden in de Colonie in de maanden mei en juni stukken veen gebrand om er boekweit in te zaaien en in de eeuwen daarna zette het jaarlijkse veenbranden de kolonisten dikwijls in een rookwalm die hen traanogen en hoestbuien bezorgde. De op beukennootjes lijkende boekweitkorrels die het tere witbloeiende gewas – waar de bijen wel gek van konden worden – vervolgens leverde , werden tot een meel gemalen waar geen brood van te bakken viel. Wel pannekoeken en die werden zo’n gewichtig onderdeel van de dagelijkse kost van veel kolonisten dat dit hen de bijnaam Pannekoeken bezorgde.

Nu woonde in de Huizen aan het einde van de achttiende eeuw – zeg het verlichte tijdperk van de Philosophes –  een wat recalcitrante kolonist die in pamfletten zichzelf de titel Filosoof van Pannekoekstad toedacht.  Al heel wat jaren geleden werd mij dit verteld door een toen eveneens ietwat weerspannige medestudent*. Hoewel ik op zijn aanwijzingen wel eens in archieven heb gezocht naar een rechtszaak tegen deze zelfbenoemde filosoof, heb ik die niet gevonden. Ik liet het erbij en in dit verband zou het wellicht zelfs mooier zijn wanneer de hele filosoof nooit heeft bestaan. Maar daar ga ik vooreerst nog niet van uit. In ieder geval zie ik achter de titel Filosoof van Pannekoekstad iemand die zichzelf niet al te serieus wenste te nemen en met de contradictie in deze betiteling zichzelf relativeerde en met een glimlach of wellicht grimlach beschouwde*. Want tegelijkertijd was zijn aanduiding van de Huizen als Pannekoekstad mogelijk wel minder liefdevol of zelfs sarcastisch bedoeld. Of onze filosoof deze benaming zelf muntte of dat die in zijn tijd al in zwang was weet ik weer niet. Het fraaie Filosoof van Pannekoekstad bleef in mijn hoofd zitten, drong zich zelfs steeds meer als bij mij passend naar voren.

Want in de tijd van de Colonie – die ik laat aflopen omtrent 1975 – leefden in deze streek zeker 500 van mijn voorouders en wellicht waren dit er meer. Een bijzonder groot aantal en terug naar het begin van de negentiende eeuw woonden zelfs nagenoeg al mijn voorouders hier. Ook ik ben in deze tijd in de Colonie geboren en opgegroeid zodat je zou kunnen zeggen dat de Colonie in mijn bloed, of moderner, in mijn genen zit. Dat ik me als historicus al meer dan 30 jaren bezig houd met het verleden van mijn voorouders en de geschiedenis van de Colonie, zou dan niet verwonderlijk zijn. Zo maakte ik een kwartierstaat* van Colonie-voorouders – die ik natuurlijk mijn Pannekoekkwartieren noemde- en beschreef enkele onderwerpen en perioden uit de geschiedenis van de Colonie. Toch blijkt deze belangstelling een afwijking in mijn familie en meer algemeen bezien is de manier waarop ik met dit verleden doende ben wellicht bijzonder of zelfs vreemd te noemen.

Voordat ik daar iets meer over zeg, moet ik een uiterst eenvoudige analyse van mijn aard en omgang met de wereld – oh, hoe bevindelijk – aan jullie kwijt. Een pannekoekanalyse dus en door menigeen met kleine talenten omhelsd. Daarvoor haal ik de welbekende frase van Goethe over de Zwei Seelen im Brust van stal*. Lang geleden alweer voelde ik me aangesproken door deze metafoor. Ik maakte er van dat Burgerman en Kunstenaar als een Siamese tweeling in mij huisden, waarbij de zwakste van de twee, natuurlijk de onaangepaste kunstzinnige ziel, door de ander er meestentijds stevig onder gehouden werd. Deze gespletenheid werkte ik verder uit met de niet altijd even tegengestelde begrippen Feit en Fictie, Wetenschap en Verbeelding en Verantwoording en Vrijheid. Een simpel beeld en niets bijzonders wist ik ook, want in een dergelijke tweestrijd menen al velen ten onder te zijn gegaan. Bij elkaar drong dit zich toch als een lichtend inzicht aan mij op. De geërfde passie voor schrijven, die zich, achteraf haast onontkoombaar, richtte op het onderwerp Colonie, bleek in de loop van de tijd ook meer en meer onderworpen aan deze ordinaire worsteling.

Zo kom ik bij de vraag waarom ik mijzelf in navolging met de titel Filosoof van Pannekoekstad meen te moeten presenteren. In de eerste plaats toch omdat ik het zoals gezegd een bijzonder mooie benaming vind en dat is eigenlijk al een voldoende reden. Maar in de loop van de tijd heb ik daar een verhaal bij gemaakt. De titel zou juist mijn manier van omgaan met het de geschiedenis van de Colonie en mijn voorouders heel goed weergeven. Nu is die omgang hier en daar wellicht wat recalcitrant, maar daar gaat het nu niet om. De titel geeft, bedacht ik, treffend weer dat ik in genoemde 30 jaren heel veel heb gepiekerd over hoe ik het verleden van de Colonie en mijn voorouders zou willen beschrijven. Over stijlen, vormen, indelingen, periodiseringen, titels en zo voort. Ik probeerde een alles omvattend systeem te bedenken waarbinnen verschillende benaderingen en onderdelen – waaronder ook een vrijere subjectieve vorm – een juiste en afgeronde plaats zouden hebben. En om de zoveel tijd sloeg ik aan het wijzigen en verbeteren van de hele constructie.

Met dit denkwerk heb ik veel meer tijd verdaan dan met onderzoek en schrijven zelf. En wat dat laatste betreft kwamen uiteindelijk alleen een paar traditioneel wetenschappelijke teksten naar buiten die ook nog ernstig gebukt gingen onder verregaande detaillering en uitgebreide verantwoording ( zie het boek Geschiedenis van Hoogeveen 1815-1975). Al met al een merkwaardig geval en dit werd ik me ook meer en meer bewust. Zo kon ik deze omgang wel relativeren, maar er aan ontsnappen lukte maar zelden. Aan de belangstellende in afwachting zijnde buitenstaander verkocht ik deze, blijkbaar in mijn persoon verankerde, manier van doen op den duur  grappend, maar dus niet ver van de waarheid, als stoornis, afwijking en obsessie. Slechts af en toe lukte het me een stapje te doen op de smalle weg die wegvoerde uit de verlammende vicieuze cirkels van indelingen en inhoudelijk en qua beeld afgeronde en kloppende teksten. En wel met subjectievere teksten.

Het gepieker van de afgelopen jaren is terug te vinden in de constructie van mijn hoofdsite. Daar probeer ik onder Filosoof mijn persoonlijke omgang met de Colonie naar voren te brengen. De titel Filosoof van Pannekoekstad  krijgt hier ook een specifiekere betekenis. Want soms spreekt de Filosoof met de doek over het hoofd, figuurlijk en soms letterlijk*. Ik wil dan proberen buiten het beklemmende systeemdenken om en zonder de druk tot verantwoording, een vrijere- en associatieve benadering te beoefenen, de artiest met klein talent naar voren te laten komen*. Onder andere via korte teksten over de Colonie, over zaken die ik ontmoet en ontmoette die me aan de Colonie doen en deden denken of die Coloniale gevoelens oproepen. Het verband kan dus ver verwijderd zijn en het onderwerp ogenschijnlijk niets met de Colonie te maken hebben, maar op een of andere manier zal het me desgevraagd toch lukken via een kronkelig achterafweggetje bij de Colonie uit te komen. Zoals in het geval van muziek die naar mijn gevoelen bij de geschiedenis van de Colonie past. Ook het systeemdenken en alles wat daarbij hoort kan op deze wijze frivool behandeld worden. Voor de goede orde, het is niet zo dat dan de verbeelding helemaal aan de macht komt. Al zou ik dat nog zo graag willen, van de goede oude werkelijkheid kan ik meestal niet loskomen. De Filosoof met een doek over het hoofd is te vinden op de blogs Pannekoekse Berichten en Filosofische Pannekoekjes.

Dan nog  iets over die spelling. Wat is er met dat pannekoek aan de hand, daar ontbreekt naar de laatste spellingsregels toch een n aan? Dat klopt en er zijn veel goede redenen om tegen die n te zijn – het meervoud, het denken aan de pan in plaats van aan de koek – maar het gaat mij er hier om dat ik het pannekoeken-idee al had lang voordat de spelling weer eens vernieuwd moest worden en ik het woord ook al zolang zo geschreven heb, dat ik het niet anders meer kan en wil gebruiken*. Trouwens, de oude Filosoof kan ik natuurlijk geen tussen-n aandoen. Bij Colonie met een c ligt het iets anders. Zo geschreven vind ik het begrip mooier en passender bij het beeld dat ik voor ogen heb van het gebied en de bewoners. Daar komt bij dat het, zoals gezegd, met een hoofdletter geschreven een door mij omlijnd gebied aangeeft dat in werkelijkheid niet onder deze naam bekend is geweest. Maar bij kolonisten en kolonie Hoogeveen zal ik me dus gewoon aan de huidige k houden.

Tenslotte, hoe ik het ook wend of keer, uiteindelijk zullen al mijn teksten op de een of andere manier in het teken staan van de stoornis A. en de ziekte van P. – die ik vooreerst de ziekte van Pannekoekstad zou willen noemen.

Fritser Nijstad

*Mijn voormalige medestudent informeert ons heden ten dage op het web onder de naam Gelkinghe of Groninganus over de noordelijke stad waar wij geschiedenis studeerden en die sindsdien zijn en mijn woonplaats is.
*Men denke in de orde van Filosoof van Rijstebrijberg en Commandeur van Schuinsloot en niet in die van Filosoof van Koningsberg.
*Voor de gelukkigen onder jullie die nog nooit van een kwartierstaat hebben gehoord en er eigenlijk ook niets van willen weten, zo’n staat gaat terug op de vier kwartieren van een wapenschild met de wapens van de vier grootouders en is in het algemeen de weergave van een onderzoek naar alle voorouders van een persoon.
* Uit Faust I: Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust.
* Zie doekgenoten her en der op dit blog.
* Zekere inspiratie is gevonden bij Jean Paul van Bendegem: Over wat ik nog wil  schrijven.
* Het zal de vindbaarheid van deze Filosoof op het web echter niet bevorderen.

Advertenties